Robuust telen met Biodiversiteit

In diverse akkerbouwgewassen hebben Nederlandse telers last van insectenplagen. Ze zetten dan insecticiden in, maar deze hebben schadelijke neveneffecten. In het project Robuust telen met biodiversiteit richt het Louis Bolk Instituut zich daarom op het ontwikkelen van natuurinclusieve strategieën en maatregelen die de inzet van insecticiden in uien overbodig maken. Maar hoe gaat dat in zijn werk?  
 

Trips: de killer in ui

Naast de uienvlieg vormt tabakstrips een groeiend probleem. Zonder interventies met gewasbeschermingsmiddelen, kan de opbrengst van een uienoogst tot 50% lager uitvallen. In Zuidwest-Nederland is het risico zelfs nog wat groter, omdat trips hier veelal vroeger aanwezig is in het gewas.

Biodiversiteit in plaats van insecticiden

In het project Robuust telen met biodiversiteit onderzoeken we onder meer het effect van natuurlijke vijanden en andere natuurinclusieve beheersingsmethoden. Het doel is dan ook om de schade tot een aanvaardbaar minimum te beperken en van zowel ondergrondse als bovengrondse biodiversiteit gebruik te maken om tripsschade te beperken. Nieuwe beheersingsstrategieën maken de teler bovendien minder afhankelijk van inzet van insecticiden. Het beoogde resultaat: toewerken naar een schoner en duurzamer ecosysteem, iets waarin het Louis Bolk Instituut veel expertise heeft ontwikkeld.

Beheersingsstrategie voor trips

Ten eerste monitoren we de populatie van tabakstrips in uiengewassen op tien verschillende locaties. Ook volgen we de aanwezige biodiversiteit op deze locaties. Deze kennis wordt gebruikt om te bouwen aan een beslissingsondersteunend systeem (BOS) voor de praktijk. Met name het bepalen van de schadedrempel is hierin van belang. In het project onderzoeken we maatregelen zoals het inzetten van natuurlijke vijanden, aanleggen van bloemenstroken en het beregenen van het gewas.  Doordat we kennis opdoen over de levenscyclus van trips, natuurlijke vijanden monitoren die de tripspopulatie in het gewas onderdrukken en groene middelen inzetten, zijn uientelers in staat zonder insecticiden voldoende opbrengst en kwaliteit te produceren.  

Onderzoeksresultaten

De meetgegevens en tellingen vormen de basis voor de opbouw van het Beslissingsondersteunende Systeem (BOS). Inmiddels is er veel kennis opgedaan over de omstandigheden waarin de tripspopulaties zich ontwikkelen en hoe deze plaag beïnvloed wordt door lokale omstandigheden. Uit de eerste resultaten blijkt dat er geen eenduidig verband is tussen trips op de vangplaat en trips in het gewas. Hoewel tabakstrips op de vangplaat wel een aanwijzing is voor zijn aanwezigheid in het gewas, levert het geen indicatie op over de te verwachten gewasschade. Onderstaande grafiek toont aan dat tabakstrips al in week 25 in het gewas aanwezig was, terwijl de tabakstrips pas later op de vangplaten werd gesignaleerd. Als trips eenmaal gesignaleerd is, vermenigvuldigt de populatie zich – afhankelijk van het weer – in hoog tempo.  Het is dus zaak om er als teler snel bij te zijn.

grafiek trips in gewas over verschillende weken gemeten


Op meerdere locaties werden akkerranden met bloeiende kruiden aangelegd. Uit tellingen in het gewas bleek echter dat de aanwezige bloemenranden geen effect hadden op de hoeveelheid trips in het gewas. Wel verspreidt tabakstrips in een naburig gewas zich gemakkelijk naar een uiengewas. Met name bij het maaien van luzerne verspreidde tabakstrips zich naar de omgeving.


Het Louis Bolk Instituut werkt samen met BO Akkerbouw, Wageningen UR, CZAV en Agrifirm aan het project Robuust telen met Biodiversiteit. Naar verwachting verschijnt het rapport in september 2024.